More

Het mysterie dat Casper Faassen heet. 2010, Onno Blom


Onno Blom

 

Dit is de plaats om een aantal misverstanden die onder de Leidse bevolking leven voor eens en voor altijd uit de weg te ruimen. Ik heb daarom nogal wat studie verricht – op straat en in mijn boekenkast – naar de bekendste hedendaagse schilder uit de Stad van Verf. Wat is er aan de hand? Ik zal het u zeggen. Het gaat om de volgende drie misverstanden.

Ten eerste: Wat Casper Faassen doet, is makkelijk. We hebben het hier over een variant op de reactie die vroegste werk van Cobra ook kreeg en dat door Karel Appels beroemde uitspraak ‘Ik rotzooi maar wat aan’ nog eens werd versterkt. Mensen die zeggen: dat kan ik ook, zou ik vriendelijk doch dringend willen adviseren: Doe maar. Probeer maar eens een Appel te schilderen – dat lukt u niet. Probeer maar eens een echte Casper Faassen te maken en u zult jammerlijk falen.

Ik heb over dit misverstand over moderne kunst een keer gesproken met Hugo Claus, van wie het bekend is dat hij schilderijen, gedichten en zelfs romans in een handomdraai maakte. Zo weten we bijvoorbeeld dat Claus als jongen van negentien na een weddenschap in een bar in drie weken tijd De metsiers schreef. Zijn debuut werd vervolgens bekroond tot het beste debuut van het jaar en is nog altijd een van de beste romans van zijn tijd. Tot op hoge leeftijd schreef hij briljante gedichten in dertig seconden.

Claus vertelde mij, toen ik hem vroeg hoe het toch mogelijk was dat hij zo ongelofelijk snel werkte, de parabel van de Japanse keizer, de schilder en de haan. Dat sprookje kent u natuurlijk, maar ik schrijf het hier toch nog maar even op: De keizer wilde dat de beste schilder van het land een haan voor hem zou schilderen en zond daarop zijn boodschapper naar de schilder, die de opdracht aannam. Een maand verstreek, twee maanden, drie maanden, en een jaar. De keizer werd ongeduldig en stuurde opnieuw zijn boodschapper op de schilder af. Die keerde onverrichter zake terug: de schilder had hem gezegd dat hij nog aan het werk was.

Na twee jaar hield de keizer het niet meer. Hij liet zich naar het atelier van de schilder brengen, die de keizer hoffelijk binnenliet. ‘U komt juist op tijd,’ zei de schilder. Daarop pakte hij een doek uit een rek, zette het op de ezel en schilderde in één vloeiende beweging een haan. De keizer was verbijsterd. Waarom, zo vroeg hij de schilder, heeft u mij zo lang laten wachten? Daarop nam de schilder de keizer mee naar de zolder van zijn atelier en toonde hem onafzienbare stapels schetsen van een haan. ‘Ik heb,’ zei de schilder, ‘al die hanen nodig gehad om deze haan voor u in één keer te schilderen.’

Zo is het, dames en heren, ook met Casper. Voordat hij is gekomen waar hij nu is heeft hij onzichtbaar in zijn atelier onwaarschijnlijk veel werk verricht. Hij is een keiharde werker. Dat strookt wellicht niet met het imago van de romantische woesteling dat veel kunstenaars – Karel Appel incluis – zich graag aanmeten. Maar dat is nu eenmaal hoe het gaat, ook als je talent hebt. Toen W.F. Hermans eens werd gevraagd naar het geheim van het schrijven van de roman, antwoordde Hermans dat er aan het schrijven van een roman niets geheimzinnigs te bekennen was: ‘Je gaat om negen uur achter je bureau zitten en je begint.’

Casper doet hetzelfde. Toen ik op een dag op zondag naar de Albert Heijn op de Hooigracht ging om een boodschap te doen samen met mijn zoontje Florian, zag ik dat er licht brandde in het toenmalige atelier van onze grote Leidse schildersvriend. Dat was niet verwonderlijk, want Casper werkt elke avond en elke zondag. Ik belde hem op en wij mochten even boven komen op zijn atelier dat zich bevindt op de bovenste verdieping van een krot dat binnenkort waarschijnlijk door de slopershamer zal worden getroffen.

Toen mijn zoontje, net zeven geworden, het atelier van Casper zag en zijn oog liet dwalen over de onwaarschijnlijke zee van bekertjes, doeken, ezels, uitgeknepen tubes, stapels papier, penselen, een fatboy zitzak, besmeurde stoelen en authentieke plassen verse verf op de vloer zei hij: ‘Vet cool, wat een troep!’ Waarop Casper tegen hem zei: ‘Ja, jongen zo hoort dat in een atelier.’

Het is maar dat u het weet.

Misverstand nummer twee: Casper Faassen doet steeds hetzelfde. De Leienaren op de markt, misselijk door de geur van kibbeling op zaterdag, die in het etalageraam van Het Kunsthuis staarden en daar wel eens met een half oog een nieuw werk van Casper bekeken, die wisten ze het meteen. Hun oordeel hadden ze al klaar. Die Faassen doet steeds hetzelfde. Hij herhaalt zichzelf omdat hij daar rijk en beroemd mee gaat worden.

         Nu moet ik u gelijk zeggen: Als het waar zou zijn, is het geen enkel probleem. Je hebt nu eenmaal schilders die in feite steeds aan hetzelfde doek werken, hoe vaak ze ook opnieuw beginnen. Hetzelfde geldt voor romanschrijvers. Je hebt een categorie die in feite altijd doorwerkt aan hetzelfde boek. Gerard Reve, die vaak het verwijt heeft gekregen dat hij zichzelf herhaalde, had daarop het perfecte antwoord. Reve vroeg zich hardop af: ‘Wie moet ik anders herhalen?’

         Einde discussie.

Toch is dat hier niet aan de orde. Casper herhaalt zich niet. Zijn werk ontwikkelt zich geleidelijk. Wie zijn vroegste en vroegere werk een beetje kent, ziet dat hij van ver is gekomen. Zijn kleuren zijn nu anders, zijn werk is ingetogener, hij maakt minder gebruik van collages, gebruikt steeds afwijkende materialen om op te schilderen. De invloed van beelden van anderen verdwijnt verder en verder naar de achtergrond. Hij stelt zijn formule steeds een tikje bij.

         Misschien klinkt het hoogdravend, maar in wezen is Casper op zoek naar het ultieme schilderij. Hij doet dat, hoewel hij zichzelf heeft opgeleid, langs de klassieke weg en op typerende wijze voor een Leidse schilder. Net als veel zijn zeventiende-eeuwse voorgangers in deze stad is hij gefascineerd door de schoonheid en het verval, door liefde en vanitas. Zijn werk is doortrokken van the romantic agony, om met Mario Praz te spreken.

Ook het genre schilderijen dat hij maakt, is klassiek: portretten en stillevens. Ik moest, toen ik laatst in zijn atelier was en zijn nieuwste werk zag, denken aan het Vanitas-stilleven met zelfportret van de zeventiende-eeuwse Leidse schilder David Bailly. Dat is een topstuk uit De Lakenhal dat in het Louvre niet zou misstaan. Daarop heeft Bailly naast zichzelf en een tafel vol voorwerpen dat de eindigheid en ijdelheid van het menselijk bestaan moet benadrukken ook de schim van zijn overleden vrouw als schaduw aan de wand geschilderd.

         Zwart op zwart. Ook dat verschijnsel gaat eeuwen terug in de geschiedenis. De Latijnse schrijver Caius Plinius Secundus, die de eerste encyclopedie ter wereld schreef, beweert in zijn Historia Naturalis zelfs dat de schilderkunst is begonnen met het natrekken van een schaduw op de wand. Als dat werkelijk waar is, dan nadert Casper in zijn zoektocht naar het ultieme schilderij meer en meer de oorsprong van de kunst.

         Hij doet dat niet door opzichtige mooischilderij. Alle opsmuk is van zijn schilderijen verdwenen. De onderlaag van zijn schilderijen is er ruw met het schildersmes of een troffel opgezet. De verf, de kleur en de vormen moeten zelf het werk doen. Het enige wat je oog vasthoudt, de gratie aan zijn doek verleent, is de vaste hand van de schilder. Alles lijkt met één rake streek van zijn penseel op het doek terecht te zijn gekomen. Net als de schilder van de Japanse keizer.

Ik ben aanbeland bij het derde en laatste misverstand. Het betreft hier een hardnekkige mythe die rondwaart in de Leidse kroegen, namelijk: Casper weet waar de mooiste vrouwen te vinden zijn. Op de presentatie van het boek over het werk van Casper Faassen, gaf de beroemde cabaretier en allerminst bedaarde beeldenstormer Jochem Meyjer van Caspers onderwerpkeuze de best mogelijke samenvatting: ‘Altijd een lekker wijf.’

         Met het uit de weg ruimen van dit misverstand heb ik een probleem. Ik heb mijn uiterste best gedaan om het tegendeel te bewijzen, heb van de vuilnisman tot de burgemeester van Leiden erover gesproken, heb mijn hersens gepijnigd, maar het is mij niet gelukt om die mythe te ontkrachten.

Ik kan u wel met zekerheid vertellen dat Casper de mooie vrouwen goed weet te verbergen. En dan bedoel ik niet Kristien, die toont hij aan de wereld in verf en levende lijve, en ook niet zijn dochtertje Amélie, een prachtige vrouw in de dop. Nee, ik heb het over al die anderen die op zijn schilderijen figureren.

         Bij mijn onderzoek heb ik wel van verschillende mensen gehoord dat ze bij Casper op bezoek zijn geweest in zijn atelier, terwijl ze hem quasi-argeloos vroegen: ‘En, waar zijn ze?’ Waarom Casper dan al even quasi-verwonderd vroeg: ‘Waar zijn wie?’ Waarop de bezoeker zei: ‘Nou, de naaktmodellen…’

         Mijn zoontje Florian was, nadat hij dat boek over Casper met die schitterende foto’s had gezien en waarop naakte dames in verleidelijke poses door zijn atelier dwarrelden, ook wel benieuwd geweest naar de dames. Maar ze waren er niet, ook niet op zondagochtend bij een verrassingsbezoek.

         Toch moeten ze er zijn, want ze staan toch maar mooi op zijn schilderijen. Ik weet ook dat Casper van mooie vrouwen houdt. Heeft hij altijd al gedaan. Hij heeft mij verteld dat hij als schooljongen altijd de O’Neill agenda had. Iedere jongen weet dat je die agenda niet had voor de O’Neill zwembroek of het O’Neill surfboard die erin werden aangeprezen, maar voor de dames die het miniscule O’Neill zwembroekje droegen of op zo’n surfboard met ontblote tanden stonden te glimmen.

De liefde voor de reclamefotografie zie je in Caspers werk nog wel terug, al is het minder en minder. Je ziet dat Casper is gegrepen geweest door de fotografie van een oude rot als Richard Avadon of een jonge held als Martin Schoeller. Maar Casper lijkt me wat verlegener in zijn werk. Typerend voor zijn vrouwen is vooral dat ze stoer én kwetsbaar zijn.

Het moet gezegd: de schilder gedraagt zich, zelfs in zijn werk, als een gentleman. Hij laat zijn vrouwen niet staalhard in de lens kijken. Ze kijken weg, blikken nog één keer over hun schouder, staren naar beneden met geloken ogen. Het zijn ijle schimmen. Introverte toverwezens. Ze richten hun blik naar binnen – en tonen zo, via de weerspiegeling, een glimp van wie Casper Faassen is.

 

Bij de opening van Noir, expositie van nieuw werk van Casper Faassen in het Kunsthuis te Leiden, 25 februari 2010.

Menu